Publicatie

Over vertrouwen, rechtsstaat, rechtszekerheid, rechtspersoon en ook nog een beetje over Covid-19

15 april 2021

Door:

Bart Prinsen

Bart Prinsen

Door:

Bart Prinsen

Bart Prinsen

Vertrouwen van een burger in een rechtsorde geïnterpreteerd als de bereidheid om er afhankelijk van te zijn, het bij die burger noodzakelijke besef zich bij die rechtsorde ook te moeten neerleggen en de samenhang tussen rechtsorde, rechtszekerheid, rechtsstaat en maatschappelijke orde, het zijn belangrijke onderwerpen die hun actualiteit bij de huidige discussie over versoe­peling van en de protesten tegen de Covid-19 maatregelen tonen. Een zich moeten neerleggen bij de rechtsorde zonder vertrou­wen erin is in een rechtsstaat als algemeen beginsel niet denkbaar. Rechtszeker­heid is dan de balans tussen willen en moeten. Rechtszekerheid is dat het rechtssubject zich beschermd weet in zijn rechten en belangen. In wat hij denkt, wil en doet. En dat dat voor iedereen geldt en dat iedereen daarin elkaar respecteert. En dat er een mechanisme is dat corrigeert als dat niet gebeurt. Het functioneren van de rechtstaat en dus van een rechtsstaat met een door de burgers gedragen rechtsorde en dus de hele maatschap­pelijke orde hangen er van af.

Die staat is volgens artikel 1 lid 1 van Boek 2 BW publiekrechtelijke rechtspersoon. Die rechts­per­soon, ook een rechtssubject, heeft in elk geval één groot belang: als rechtsstaat te functioneren.

Bezien we wet, statuten en contract als bepalend voor de interne deelrechtsorde van een privaat­rechtelijke rechts­persoon als bedoeld in artikel 2:3 BW dan is het voor de hand liggend ook daar de combinatie van bereidheid en verplichting om zich in handelen en nalaten te laten leiden door de deelrechtsorde te zien als een voorwaarde voor het functioneren van de rechtspersoon. Ook daar geldt dat rechtszekerheid voor de bij de organisatie van een rechtspersoon betrokkene is dat hij zich beschermd weet in zijn rechten en belangen. En dat dat voor alle bij de organisatie van de rechts­persoon betrokkenen geldt en voor de rechtspersoon zelf. En ook daar geldt dat de rechtspersoon in elk geval één groot belang heeft: te functioneren.

Van de bereidheid om afhankelijk te zijn, om zich te onderwerpen aan de deelrechtsorde van een rechtspersoon, kan uiteraard ook sprake zijn bij een minderheid of bij een individueel lid van die rechtspersoon in welke positie ook. En heeft dat lid die positie, dan zal het zich bij de deelrechtsorde ook moeten neerleggen en ontstaat zo opnieuw een evenwicht tussen willen en moeten. En soms – de gevallen van niet willen maar wel moeten, of wel willen maar niet mogen – is dat evenwicht wankel of gaat het verloren.

Dit zich beschermd weten in rechten en belangen, wat een notie van passiviteit in zich draagt, gaat mijns inziens dieper dan het zich hebben te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid zoals artikel 2:8 BW dat als eis voor de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie betrokken zijn stelt. En dat activiteit veronderstelt. Zich beschermd te weten is essentieel voor het functioneren van de rechtspersoon. De eisen van redelijkheid en billijkheid als norm voor handelen en nalaten staan daaraan ten dienste. Het zijn in die  zin correctienormen in aanvullende en derogerende zin, voor de rechtspersoon én degenen die bij zijn organisatie betrokken zijn, in alle gevallen dat wet, statuten en contract als bepalende de interne deelrechtsorde onvoldoende bereik hebben.

Bij iedere verplichting in een rechtsorde, althans in een rechtsstaat, althans in een rechtspersoon, speelt vertrou­wen op die orde en daarmee op rechtszekerheid een rol. In zoverre is de vraag naar de juridische betekenis van het fenomeen vertrouwen nauwelijks te overschatten, maar ook een enorme dooddoener omdat de concrete betekenis voor het subject – tot uitdrukking komende in de vraag ‘wat kan ik daar nou mee?’ – nog maar moet blijken. Dat geldt ook voor het lid van een rechtspersoon. In welke positie binnen die rechtspersoon dan ook. Een bijdrage leverend aan de uitoefening van welke bevoegdheid dan ook.

Het gaat ons in ons boek daarom niet om algemeen theoretische beschouwingen over de samen­hang tussen vertrouwen, rechtszekerheid, rechtsorde en rechtspersoon, maar om voor de probleemstelling van het boek relevante invalshoeken waarin de betekenis van het fenomeen vertrouwen voor een belanghebbende concreet tot uitdrukking komt. Juridisch gaat het dan om de vraag naar welke actie(s) bij inbreuk op dat fenomeen ten dienste staan aan een belanghebbende om voor zijn rechten en belangen op te komen.